Om te kunnen gaan zeilen moet je natuurlijk wel een zeilboot hebben. Hieronder leggen we de eerste beginselen van zeilen uit.

In het plaatje zijn een paar namen van hele belangrijke onderdelen van een zeilboot aangegeven.
De A in het plaatje staat voor ‘grootschoot‘ en de B voor ‘fokkeschoot‘.
Met deze schoten bedien je de zeilen: je kan de zeilen vieren (= losser laten) of strakker aantrekken. Dat zal je wel zien als je een keertje gaat zeilen.
Waarvoor de mast is lijkt me duidelijk: zonder mast kan je je zeilen niet hijsen. Het fok is het kleine zeil aan de voorkant en het grootzeil zit achter de mast.
Het grootzeil hangt tussen de giek en gaffel. Doordat de wind in de zeilen blaast gaat de boot vooruit.
De zwaarden (aan beide zijden van het schip) zorgen ervoor dat de boot rechtdoor kan varen en niet door de wind opzij geblazen wordt.
Het roer gebruik je om te sturen.
